Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
In het Nederlands zijn er een aantal klanken die niet voorkomen in het Pools, [a:], [e:], [o:], [y:], [œj], [ø], [ʌ] en [εi]. Daarom kunnen Poolse kinderen problemen hebben met deze klanken bij het leren van het Nederlands. In het Pools zijn alle klinkers kort. Een tweetalig Pools-Nederlands kind kan problemen hebben met het onderscheiden van lange en korte klinkers; zoals in [boom] en [bom]. Het Pools kent geen lidwoorden. Het ligt dus in de lijn der verwachting dat tweetalige Pools-Nederlandse kinderen moeite hebben met het gebruik van lidwoorden. Het Pools is een pro-drop taal, waarin het onderwerp vaak niet expliciet benoemd wordt, het onderwerp wordt uitgedrukt als suffix van de persoonsvorm. Als het kind het onderwerp weglaat in het Nederlands, komt dit waarschijnlijk door negatieve transfer vanuit het Pools, dit hoeft dus nog niet te wijzen op een taalontwikkelingsstoornis. Bij de vorming van de voltooide tijd wordt in het Pools een prefix gebruikt; een hulpwerkwoord (zoals 'zijn' en 'hebben' in het Nederlands) ontbreekt. Het zou dus kunnen dat tweetalige Pools-Nederlandse kinderen het hulpwerkwoord bij voltooid deelwoorden in het Nederlands weglaten als gevolg van transfer uit het Pools.
Het Pools heeft een vrijere woordvolgorde dan het Nederlands. Het is mogelijk dat Pools-Nederlandse tweetalige kinderen moeite hebben met de striktere woordvolgorde in het Nederlands. De Poolse cultuur is niet gewend aan een indirecte manier van communiceren indien men iets wil vragen. Polen hebben een korte, zeer directe vorm van communiceren: bijna bevelend. Het zou dus zo kunnen zijn dat tweetalige Pools-Nederlandse kinderen moeite hebben met het begrijpen wanneer iets precies een vraag is en op een meer directere manier zelf vragen stellen.
Het Pools is een taal met een rijkere morfologie dan het Nederlands. Een normaal ontwikkelend kind zal normaliter relatief weinig problemen ondervinden bij de verwerving van het 'eenvoudige' grammaticale systeem van het Nederlands. Uit onderzoek van De Jong et al. (2007) komt namelijk naar voren dat kinderen, waarvan de moedertaal een rijk morfologisch systeem heeft, minder moeite hebben met het leren van een tweede taal met een minder rijke morfologie dan andersom. Voor kinderen met een taalstoornis en een rijke morfologie in de eerste taal, geldt dat zij niet zo snel uitgangen weg zullen laten in de T2, maar wel dat zij substitutiefouten zullen maken in de uitgangen in die T2.
Een aantal elementen uit het Pools zijn vergelijkbaar met die van het Nederlands:
Doorgaans geven overeenkomstige talige elementen tussen moedertaal en tweede taal, bij kinderen met een normale taalontwikkeling, geen problemen bij de verwerving van die tweede taal. Het ligt dus niet in de lijn der verwachting dat normaal ontwikkelende kinderen moeite hebben met deze aspecten van het Nederlands. Mochten zich wel problemen voordoen binnen deze aspecten dan zou dat een aanwijzing kunnen zijn voor een taalontwikkelingsstoornis.
Binnen het Pools zijn er een aantal kenmerken die kunnen wijzen op een taalontwikkelingsstoornis. In het Pools worden werkwoorden vervoegd naar persoon, aantal, tijd, wijs en aspect. Het is van belang om te achterhalen of het kind meer en langdurigere problemen heeft met de werkwoordvervoegingen dan (tweetalige) leeftijdsgenoten. In het Pools wordt elk (voor-)naamwoord vervoegd. Het is van belang om te achterhalen of het kind in de moedertaal meer en langduriger problemen heeft met het vervoegen van naamwoorden en voornaamwoorden dan (tweetalige) leeftijdsgenoten. Als het kind, ook in de eigen moedertaal, pragmatische problemen laat zien die niet passend zijn voor de Poolse wijze van communiceren, dan zijn dergelijke kenmerken mogelijk een indicatie voor een pragmatische stoornis.
Vragenlijst in relatie tot problemen in het Nederlands. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van negatieve transfer vanuit het Pools.
Fonologie
Heeft het kind moeite met de productie van de Nederlandse klanken [a:], [e:], [o:], [y:], [œj], [ø], [ʌ] en/of [εi].?
Morfologie
Laat het kind lidwoorden weg in het Nederlands?
Laat het kind het onderwerp van de zin (vaak) weg in het Nederlands?
Plaatst het kind achter alle/sommige (voor-)naamwoorden een uitgang of een niet nader te specificeren klank?
Laat het kind vaker dan gebruikelijk voor een (tweetalig) kind van die leeftijd hulpwerkwoorden weg in de voltooide tijd? Bijv. ‘Ik (..) gespeeld’ of ‘Jan (..) geweest’.
Syntaxis
Heeft het kind moeite met de woordvolgorde in het Nederlands?
Gebruikt het kind in bijzinnen een onjuiste woordvolgorde?
Pragmatiek
Heeft het kind moeite om op een 'beleefde' indirecte wijze te communiceren?
Formuleert het kind korte 'gebiedende' zinnen als het kind iets wil vragen?
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-kenmerken
Om u behulpzaam te zijn bij het onderscheiden van geproduceerde fouten in het Nederlands naar mogelijke oorzaak, is onderstaande vragenlijst per talig kenmerk (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) opgesteld. Voorzichtigheid bij de analyse van taalproducties aan de hand van deze vragenlijst is geboden; de vragen vormen slechts een leidraad om NT2-fouten globaal van TOS-fouten te onderscheiden. De verkregen informatie dient als eerste indicatie voor de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis.
Vragenlijst in relatie tot problemen in het Pools. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van een TOS.
Fonologie
Heeft het kind in het Pools moeite met het produceren van bepaalde klanken, terwijl dat niet meer verwacht wordt op zijn of haar leeftijd?
Morfologie
Heeft het kind problemen met het vervoegen van (hulp-)werkwoorden in het Pools?
Heeft het kind problemen met het vervoegen van naamwoorden en voornaamwoorden in het Pools?
Syntaxis In het Pools specificeren de (morfologische) uitgangen de betekenis van de elementen in de zin. De woordvolgorde is van minder belang; het Pools heeft een vrijere woordvolgorde dan het Nederlands.. Als een kind meer en langduriger fouten maakt in het Pools met vervoegingen dan (tweetalige) leeftijdsgenoten, geeft dit waarschijnlijk meer informatie dan de gebruikte woordvolgorde.
Pragmatiek
Maakt het kind weinig oogcontact, is het verminderd wederkerig en heeft het zwakke communicatieve vaardigheden in de moedertaal?
Onderzoek in de moedertaal
Het is mogelijk met behulp van de app Speakaboo onderzoek te doen naar de articulatorische ontwikkeling van kinderen die Pools spreken (2 tot 6 jaar). Zie informatie over dit diagnostisch instrument op de pagina Diagnostische materialen. Voor het gebruik van deze app heeft de logopedist of linguïst geen kennis van het Pools nodig.
1. Algemene informatie over het Pools
Het Pools is een West-Slavische taal – evenals o.a. het Tsjechisch en het Slowaaks – en behoort tot de Indo-Europese taalfamilie. Pools wordt door ongeveer 48 miljoen mensen gesproken. De taal wordt in Polen gesproken (38 miljoen), maar ook door groepen in de Verenigde Staten en landen van de voormalige Sovjet-Unie (10 miljoen). De Poolse taal behoort hiermee tot de 25 grootste talen van de wereld. De dialecten in het Pools verschillen niet veel van het officiële Pools. Het schriftsysteem is zoals wij dit kennen van het Nederlands, waarbij een aantal grafemen meerdere keren voorkomen, waarvan één of meerdere keren met een accent. Dit geldt voor: ą, ć, ę, ł, ń, ó, ś, ź en de ż.
Fonologie De Poolse hedendaagse standaardtaal kenmerkt zich door het geringe aantal klinkers (a, e, o, u, i, y, ę en ą, die geen verschil in lengte vertonen), en een vrij groot aantal medeklinkers. Er kunnen in het Pools meerdere medeklinkerclusters na elkaar worden uitgesproken. De klemtoon in zelfstandige naamwoorden ligt in het algemeen op de voorlaatste syllabe (Dabrowska, 2006).
Nederlandse klinkers die niet voorkomen in het Pools zijn [a:], [e:], [o:], [y:], [œj], [ø], [ʌ] en [εi]. De ą wordt uitgesproken als nasale [õ], de ę wordt uitgesproken als nasale [ẽ]. Het Pools gebruikt dezelfde medeklinkers in de spraak als het Nederlands, aangevuld met de volgende klanken: ch (uitgesproken als zachte [x]) en g (uitgesproken als Engelse [g]). Een aantal klanken heeft een gepalataliseerde variant (met de tong meer in de richting van de boventanden uitgesproken).
Zelfstandig naamwoorden kunnen niet eindigen op –[u], behalve wanneer dit leenwoorden zijn (‘guru’) (Dabrowska, 2006). Het woordaccent is in het Pools vast: het accent valt meestal op de voorlaatste lettergreep. Hierop zijn slechts enkele regelmatige uitzonderingen.
Mogelijke fouten door NT2-problematiek
De uitspraak van Nederlandse diftongen, zoals de ui [œj], de eu [ø] en de ei/ij [εi] is lastig voor Polen. Omdat de ´lange klinkers´ [a:], [e:], [o:] en [y:] niet voorkomen in het Pools, kan het onderscheiden van deze lange klinkers en hun kortere variant ook lastig zijn. Dit is een hypothese, er zijn geen publicaties over dit onderwerp gevonden.
Morfologie Naamwoorden Pools is een taal met een rijke morfologie; zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, telwoorden en voornaamwoorden worden verbogen, en de vorm hangt af van: 1. de naamval 2. getal (enkelvoud of meervoud) 3. grammaticaal geslacht (enkelvoud: mannelijk/vrouwelijk/onzijdig, en meervoud: mannelijke personen en overige). Er zijn zeven naamvallen, waarvan elke naamval door verschillende suffixen gekenmerkt wordt (zie tabel 1). De suffixen markeren zowel getal als naamval. De keuze voor een suffix hangt af van het geslacht. Als er meer dan één suffix voor een geslacht bestaat, hangt de keuze tussen deze suffixen af van fonologische en/of semantische factoren. Een fonologische factor is bijvoorbeeld de eindklank van de stam van het woord, een semantische factor is bijvoorbeeld wie de ontvanger is.
Casus
Vrouwelijk
Mannelijk
Onzijdig
Nominatief
-a (-Ø, -i)
-Ø (-a, -o)
-o, -e, -ę
Genitief
-i/-y
-a, -u (-i/-y)
-a
Datief
-‘e, -i/-y
-owi (-u, -‘e, -i/-y)
-u
Accusatief
-ę(-Ø)
-Ø, -a (-ę, -o)
-o, -e, -ę
Instrumenteel
-ą
-em (-ą)
-em
Locatief
-‘e, -i/-y
-‘e, -u (-i/-y)
-‘e, -u
Vocatief
-o, -u, -i/-y, (-Ø)
-‘e, -u, (-o)
-o, -e, -ę
Tabel 1 (Dabrowska, 2006). Het casusmarkeringschema voor het enkelvoud van het Pools. De klanken tussen haakjes geven aan hoe de uitspraak kan worden in een bepaalde fonologische context. Het ‘-symbool indiceert dat de suffix zorgt voor palatalisatie van de voorgaande consonant.
De morfologische vorm waarin kinderen een zelfstandig naamwoord de eerste keer horen heeft invloed op het kunnen vervoegen naar een andere morfologische vorm. Er lijkt hierbij geen sprake te zijn van een effect van frequentie (Krajewski et al., 2011).
Er is voor het Pools geen default-suffix. Dit betekent dat je, als je het even niet meer weet, niet kunt terugvallen op een vorm die in de meeste gevallen goed is.
Adjectieven en voornaamwoorden De Poolse taal kent acht soorten adjectieven: attributief (‘witte’, ‘kleine’), bezittelijk (‘mijn’), aanwijzend (‘deze’), distributief (‘elke’), vragend (‘welk’), relatief (‘welke’), onbepaald (‘wat’) en numeriek (‘één). Elk adjectief moet congrueren in naamval, getal en geslacht met het zelfstandig naamwoord, of met het voornaamwoord, waarover het iets zegt. Attributieve adjectieven zijn vergelijkbaar met de bijvoeglijke naamwoorden in het Nederlands; het bijvoeglijk naamwoord kan – in het Nederlands en in het Pools - zowel voor als achter het zelfstandige naamwoord geplaatst worden. De overige adjectieven worden in het Nederlands aangeduid als voornaamwoorden: bezittelijk, aanwijzend, kwantitief, vragend, relatief en onbepaald. Numerieke adjectieven zijn in het Nederlands bekend als telwoorden. De verbuiging van de telwoorden in het Pools wordt bepaald door naamval en getal. De vorm van het telwoord is afhankelijk van hetgeen er geteld wordt. ‘Twee paarden’ is in het Pools bijvoorbeeld dwa konie, maar ‘twee jongens’ is dwaj chłopcydwóch chłopców. ‘Twee meisjes’ daarentegen is dwie dziewczynki, en ‘twee kinderen’ is dwoje dzieci.
Eén betrekkelijk voornaamwoord is ‘który’ (nominatief) en komt in alle naamvallen voor. In het Nederlands wordt onderscheid gemaakt tussen ‘welk(e)’, ‘dat’, ‘wat’, ‘die’, ‘hetwelk’ en ‘hetgeen’. Dit betrekkelijk voornaamwoord wordt in betrekkelijke bijzinnen als eerste woord gebruikt. Voor personen worden de betrekkelijk voornaamwoorden 'czyj' (‘wiens’) en ‘kto’ (‘wie’) gebruikt. Ook deze voornaamwoorden komen in iedere naamval voor.
To jest kamień, który błyszczy.
Dit is steen die-Nom glimt.
To jest jabłko, które chłopiec je.
Dit is appel die-Acc jongen eet.
(Voorbeelden uit McDaniel & Lach, 2009)
Lidwoorden Er wordt in het Pools geen gebruik gemaakt van lidwoorden.
Werkwoorden De vervoeging van werkwoorden is afhankelijk van persoon, getal, geslacht, tijd, wijs, vorm en aspect. Met name het juiste gebruik van het werkwoordenaspect wordt voor tweede-taalverwervers van het Pools als een moeilijke taak beschouwd; prefixen en suffixen die aan het werkwoord worden toegevoegd drukken bijvoorbeeld (on)voltooiing van een activiteit uit, maar kunnen ook aangeven of een activiteit herhaaldelijk plaatsvindt, of begonnen is, of een gewoonte uitdrukt.
Van Hout (2008) ontdekte dat Poolse kinderen de perfectieve tegenwoordige tijd (te interpreteren als ‘ik zal een boterham eten’) op 3-jarige leeftijd beheersen. Er zijn vier werkwoordtijden in het Pools: imperfectieve tegenwoordige tijd (een handeling die nu nog voortduurt: ‘ik ben een boterham aan het eten’, ‘ik eet een boterham’), imperfectieve verleden tijd (een voortdurende handeling in het verleden: ‘ik was een boterham aan het eten’), de al genoemde perfectieve tegenwoordige tijd en de perfectieve verleden tijd (een afgeronde handeling in het verleden: ‘ik at een boterham’). Alle werkwoorden zijn ofwel perfectief ofwel imperfectief. Er zijn geen aparte vormen voor voltooide tijd.
Imperfectieve werkwoorden hebben de eenvoudigste morfologie met weinig tot geen prefixen (voorvoegsels). De perfectieve werkwoorden worden gevormd door het gebruik van een prefix. Er is niet, zoals bij de Nederlandse voltooide tijd, maar één prefix (‘ge-‘), maar de werkwoorden kunnen verschillende prefixen hebben, waarmee de handeling nog meer gespecificeerd wordt.
De werkwoorden hebben naast een prefix wanneer het gaat om perfectief in elke tijd suffixen (uitgangen) voor persoon. Naast het onderscheid in personen dat in het Nederlands ook wordt gemaakt (eerste persoon, tweede persoon, etc.), zijn tevens verschillende uitgangen voor mannelijke en vrouwelijke personen aanwezig in de verleden tijd. De werkwoordsuffixen die gebruikt worden bij werkwoorden die als het werkwoord budował// (‘bouwen’) vervoegd worden staan weergegeven in tabel 2. Er zijn in totaal 11 verschillende groepen werkwoorden die hun eigen vervoeging hebben. Daarnaast bestaan in het Pools ook onregelmatige werkwoorden.
Persoon
Imperfectieve en perfectieve tegenwoordige tijd
Imperfectieve en perfectieve verleden tijd
Mannelijk
Vrouwelijk
1e enkelvoud
-ę
-łem
-ałam
2e enkelvoud
-esz
-łeś
-ałaś
3e enkelvoud
-e
-ł
-ała
1e meervoud
-emy
-liśmy
-alyśmy
2e meervoud
-ecie
-liście
-alyście
3e meervoud
-ą
-li
-aly
Tabel 2. (Van Hout, 2008). Suffixen op het werkwoord aan de hand van het werkwoord ‘budował’ (bouwen).
Alle werkwoordvervoegingen in het Pools hebben een uitgang. Dit verschilt van het Nederlands, waarin van de stam (ik-vorm) wordt uitgegaan voor de verdere vervoegingen. Er is in het Pools een aparte affix voor respectievelijk aspect (perfectief vs. imperfectief) en tijd. Om zinsdelen niet te laten overlappen wordt onder andere gebruik gemaakt van het woordje ‘jak’, dat staat voor ‘als’. Poolse kinderen leren dit woord al snel te gebruiken in de taal, 4-5 maanden eerder dan Engelse kinderen ‘when’ en ‘after’ leren (Pawlak et al., 2006). Dit kan veroorzaakt worden doordat Engelse kinderen onderscheid moeten kunnen maken tussen de betekenis van ‘when’ en ‘after’, terwijl in het Pools slechts één woord gebruikt wordt.
In het Nederlands gebruiken wij een koppelwerkwoord in een zin als ‘Jan is mijn beste vriend’. In het Pools kan naast het gebruik van een koppelwerkwoord gekozen worden voor een ‘koppelvoornaamwoord’, waarbij het werkwoord al dan niet weggelaten wordt. Bijvoorbeeld: ‘Jan to mój najlepszy przyjaciel’ (Jan koppelvoornaamwoord mijn beste vriend) waarbij ‘to’ het koppelvoornaamwoord is. Dit koppelvoornaamwoord ‘to’ is per tijd en geslacht van het subject gelijk
Mogelijke fouten door NT2-problematiek Problemen met het vervoegen van werkwoorden zouden kunnen voorkomen: doordat de kinderen gewend zijn alle vervoegde werkwoorden van een suffix te voorzien, kunnen zij eventueel geneigd zijn dit voor het Nederlands ook te doen. Daarentegen is het ook mogelijk dat zij, juist omdat het Nederlands weinig verschillende uitgangen heeft, voor elk vervoegde werkwoord hetzelfde suffix gebruiken. Ook is de verdeling in werkwoordtijden voor het Pools anders dan voor het Nederlands. Hierin kunnen kinderen fouten maken. Het Nederlands heeft veel onregelmatige werkwoorden. Dit is voor alle anderstaligen moeilijker omdat deze allemaal apart moeten worden aangeleerd. Dit zal voor Poolse kinderen niet anders zijn. Dit zijn hypotheses, er zijn geen publicaties over dit onderwerp gevonden.
Syntaxis Woordvolgorde Doordat het Pools een rijk morfologisch systeem van verbuigingen en vervoegingen heeft, is de woordvolgorde in de Poolse zin flexibeler dan in het Nederlands. Beperkingen in woordvolgorde worden in het Pools bepaald door stilistische en logische factoren; de woordvolgorde is niet in grammaticaal of semantisch opzicht van belang.
In het Pools hebben korte zinnen de SVO-woordvolgorde: onderwerp-werkwoord-lijdend voorwerp. Bijvoorbeeld: ‘Najlepszym kandydatem myślę że jest Jan’ betekent ‘Beste kandidaat denk (ik) dat is Jan ’. Aan dit voorbeeld is ook te zien dat het voor het Pools mogelijk is te topicaliseren. Ook in bijzinnen wordt in het Pools de SVO-volgorde aangehouden: 'myślę że Jan pije herbatę' wordt letterlijk vertaald als: 'ik denk dat Jan drinkt thee'. In het Nederlands hebben hoofdzinnen doorgaans een SVO-volgorde, terwijl voor bijzinnen meestal de SOV-volgorde wordt gebruikt.
In het Nederlands vindt bij ja/nee-vragen inversie plaats: de persoonsvorm wordt naar de eerste positie in de zin verplaatst, gevolgd door het onderwerp, bijvoorbeeld ‘Kom je morgen?’. In het Pools wordt bij ja/nee-vragen het woord czy voor de zin geplaatst, terwijl de woordvolgorde SVO gehandhaafd blijft (Baker, 2013, p.139). Zowel in het Pools als in het Nederlands vindt bij vraagwoordzinnen inversie plaats (‘Waarom kom je niet?’). Het werkwoord gaat vooraf aan het onderwerp, terwijl de vraagzin begint met het vraagwoord.
Nevenschikkende zinnen De belangrijkste nevenschikkende voegwoorden in het Pools zijn (Rutecka, 2004):
i
en
oraz
en
albo
of
czy
of
ani
noch
ale
maar; doch; echter
lecz
echter
Het woord ‘en’ wordt vaak vertaald als ‘i’, maar zodra het vervangen kan worden door ‘maar’, verandert de ‘i’ in een ‘a’(en/maar) in het Pools. In formele teksten wordt ‘i’ vervangen door ‘oraz’. Een verschil tussen het Pools en Nederlands is dat bij samenstellingen van twee of meer woorden de voegwoorden ‘i’(en) en ‘albo’ (of) worden herhaald, zoals (Brooks, 1976):
Znam i Jurka i jego brata. Ik ken George en zijn broer.
Byliśmy i w Związku Radzieckim i w Chinach i w Indiach. We waren in de Sovjet-Unie, in China en in India.
Woordvolgorde Het voegwoord ‘ale’ (maar, doch, echter) kan niet aan het begin van een nevenschikkende zin worden geplaatst in het Pools.
Voorbeelden van zinnen met nevenschikkende voegwoorden (Swan, 2003): Marek jest studentem, a Maria już pracuje. Mark is a student, but Maria is already working.
Warszawa i Kraków są dość duże. Warsaw and Krakow are rather large.
Jan jest i inteligentny i przystonjny. Jan is both smart and good-looking.
To jest muzeum, ale nie jest zbyt ciekawe. That’s a museum, but it’s not too interesting.
To jest albo szpital, albo hotel. That’s either a hospital or a hotel.
To nie jest ani szpital, ani hotel. That’s neither a hospital nor a hotel.
Onderschikkende zinnen De belangrijkste onderschikkende voegwoorden in het Pools zijn (Rutecka, 2004):
że
dat
żeby
opdat
jak
als
jakby
alsof
ponieważ
omdat; want
skoro
zodra; nadat
jeśli
indien
jeżeli
indien
choć
hoewel
chociaż
(al)hoewel; ofschoon
Woordvolgorde Onderschikkende zinnen bestaan uit een complement (Cs) met twee zinnen S1 en S2, dit geeft de volgorde S1CsS2. S1 wordt meestal herkend als de hoofdzin. De meeste Poolse voegwoorden kunnen aan het begin van de zin worden geplaatst als complement om een onderschikkende zin te introduceren. Het partikel ‘to’ markeert het begin van de hoofdzin (S1) bij inversie van de zinsvolgorde. Dit geeft de vorm CsS2S1. Onderstaande voorbeelden geven beide vormen aan (Brooks, 1976):
Ja pójdę jeśli on nie wróci. (S1CsS2) Jeśli on nie wróci, to ja pójdę. (CsS2S1)
Wanneer er sprake is van een voorwaardelijke wijs wordt achter het voegwoord (bijv. gdy - als, indien) het partikel -by in combinatie met de juiste persoonsuitgang geplaatst, waarna het werkwoord volgt (Rutecka, 2004; Swan, 2003). Bijvoorbeeld (Swan, 2003):
Enkelvoud
mannelijk
vrouwelijk
betekenis
1p.
gdybym pomógl
gdybym pomogla
If I would help
2p.
gdybyś pomógl
gdybyś pomogla
If you-sg. would help
3p.
gdyby pomógl
gdyby pomogla
If he/she would help
Meervoud
mannelijk
vrouwelijk
betekenis
1p.
gdybyśmy pomogli
gdybyśmy pomogly
If we would help
2p.
gdybyście pomogli
gdybyście pomogly
If you -pl. would help
3p.
gdyby pomogli
gdyby pomogly
If they would help
Voorbeelden van zinnen met onderschikkende voegwoorden (Swan, 2003): Pomóglabym ci, gdybym nie byle tak zajęta. I would help you if I were not so busy.
Proszę cię, żebyście nie robili takiego halasu. I’m asking that you not make such a racket.
Negatie Om een zin ontkennend te maken wordt in het Pools het partikelnie gebruikt. Het partikel nie kan op verschillende plaatsen in de zin staan, maar staat meestal voor het woord of het zinsdeel dat ontkend wordt.
Nie chodzę do kina. Niet ga-NOM-1-SG naar bioscoop. (Ik ga niet naar de bioscoop.)
Onderwerp Pools is een prodrop-taal. Dit houdt in dat het onderwerp in de zin kan worden weggelaten. Prodrop (ook wel subject ellipsis genoemd) is mogelijk in het Pools, doordat aan de uitgang van het werkwoord gezien kan worden wie als subject wordt bedoeld. Bijvoorbeeld: ‘?Kimi mys´lisz, z˙e był Jan ti?’ betekent ‘Wie denk (jij) dat Jan is?’. Het subject ‘jij’ wordt dan weggelaten (Citko, 2008; McShane, 2009).
Het onderwerp wordt in het Pools echter niet weggelaten indien er sprake is van ambiguïteit: syntactisch, semantisch of pragmatisch (McShane, 2009).
Mogelijke fouten door NT2-problematiek In het Nederlands is de woordvolgorde in hoofdzinnen anders dan de woordvolgorde in bijzinnen. In het Pools is dit niet het geval. Dit kan tot fouten in de woordvolgorde in het Nederlands leiden. Het weglaten van een subject is in het Nederlands niet mogelijk in zinnen, behalve wanneer de context dit toelaat en in bijzinnen (Jan loopt naar beneden, pakt zijn tas en gaat naar school). Poolse kinderen kunnen gewend zijn aan het weglaten van een subject in een zin. Poolse kinderen kunnen in het Nederlands makkelijk het (verplichte) onderwerp vergeten.
In het Nederlands worden de meeste zelfstandige naamwoorden voorafgegaan door een lidwoord. Dit is in het Pools niet het geval. Poolse kinderen die Nederlands leren spreken, kunnen het lidwoord makkelijk vergeten. Dit zijn hypotheses, er zijn geen publicaties over dit onderwerp gevonden.
Pragmatiek Wierzbicka (1985) schrijft over pragmatische verschillen tussen het (Australisch) Engels en het Pools. Bij een officiële internationale vergadering zei een Poolse gastheer tegen zijn gast: ‘Mrs. Vanessa! Please! Sit! Sit!’ Dit zou in het Engels, maar ook in het Nederlands, gezien kunnen worden als een soort bevel aan een hond, maar is in Polen een gangbaar verzoek. Zij kunnen voor een verzoek dus de gebiedende wijs gebruiken. Wierzbicka (1985) geeft aan dat er in het Pools geen gebruik wordt gemaakt van frases als ‘ik denk dat..’, ‘ik vind dat…’ en ‘ik geloof dat’. ‘Ik denk dat het waar is’ wordt bijvoorbeeld ‘To prawda’ (‘Dit is waar’).
Mogelijke fouten door NT2-problematiek De directheid die Polen kunnen gebruiken bij het doen van een verzoek of het geven van hun mening, kan in westerse landen als ‘onbeleefd’ worden gezien. Dit zijn cultuurgebonden verschillen in het taalgebruik. Om – in het algemeen - te spreken van een pragmatische stoornis, dient er minstens sprake te zijn van verminderde wederkerigheid, minder oogcontact en/of zwakke communicatieve vaardigheden.
Łukaszewicz (2006) heeft een casestudy uitgevoerd naar de verwerving van extrasyllabische consonanten (medeklinkers die buiten een lettergreep vallen) bij een Pools meisje in de leeftijd van 3;8 tot 5;1. Een voorbeeld van extrasyllabiciteit in het Nederlands is de eind-n in een meervoudsvorm (/konijnen/) die in de uitspraak vaak wordt weggelaten. Een voorbeeld voor het Pools is ‘wjatr’ (wind), waarbij de [r] in onverzorgde uitspraak niet altijd goed hoorbaar wordt uitgesproken. Het Poolse meisje van de casestudy doorliep vier fasen in het verwerven van de extrasyllabische consonanten: 1. Extrasyllabische consonanten worden niet geproduceerd doordat klanken aan de randen van een lettergreep eigenlijk stemloos horen te zijn: [vjat]; 2. Problematische klanken worden geproduceerd in combinatie met een toegevoegde klinker: [vjatǝr]; 3. Extrasyllabiciteit wordt opgelost door het toevoegen van een woord of klank zonder rekening te houden met regels voor stemhebbend-/stemloosheid. In dat geval wordt [vjatr] goed uitgesproken. Maar woorden als ‘zjadł’ (hij at) worden met een stemloze /d/ uitgesproken: [zjatł]; 4. De aan de extrasyllabische plofklank voorafgaande consonant wordt geuit als stemhebbend: [vjadr].
Er is nauwelijks informatie gevonden in het Engels over specifieke taalstoornissen bij Poolse kinderen. Er is wel mail-contact geweest met enkele Poolse wetenschappers. Uit het mail-contact komt naar voren dat onderzoeksverslaglegging voornamelijk in het Pools plaatsvindt.
Zodra er meer informatie beschikbaar is, zal deze pagina verder worden uitgewerkt.
Diagnostisering van een taalontwikkelingsstoornis (TOS) bij meertalige kinderen is complex, en dient met de grootste voorzichtigheid plaats te vinden. Het risico op onder- of overdiagnostisering is aanzienlijk; zie voor meer informatie de pagina Diagnostische materialen en meertaligheid.
Indien bij een tweetalig kind de Nederlandse taalverwerving bijzonder vertraagd verloopt, is het van belang dat er differentiatie plaatsvindt tussen enerzijds het soort fouten dat mogelijk/waarschijnlijk voortvloeit uit de moedertaal en culture achtergrond van het kind (NT2-problematiek), en anderzijds fouten die gerelateerd kunnen zijn aan een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Beide factoren – tweetaligheid en taalontwikkelingsstoornis – kunnen een vertragende invloed op de taalverwerving van het Nederlands hebben, volgens onderzoek van Orgassa e.a. (2008) onder Nederlands -Turkse kinderen.
Omdat er weinig Pools wetenschappelijk onderzoek is naar TOS en meertaligheid, is het van belang om – naast de talige informatie over het Pools en de NT2-problematiek die voortvloeit uit de verschillen tussen het Nederlands en het Pools – ook kritisch te kijken, naar taalproducties in de moedertaal (Pools) van het kind. Voor het Pools is er een Poolse versie van de MAIN (Diagnostische materialen) voorhanden; hiermee wordt de vertelvaardigheid van tweetalige kinderen – aan de hand van plaatjes – getoetst. Het is aan te bevelen om de test zowel in het Nederlands als in het Pools af te nemen. De geproduceerde Poolse zinnetjes – in de moedertaal van het kind – zouden, met de hulp van een tolk, nader geanalyseerd kunnen worden op talige elementen als fonologie – morfologie –syntaxis en op vertelvaardigheid (structuring van een verhaal). Daarnaast is er bij Kentalis een Poolse versie van een articulatiespel (Speakaboo) voor voorschoolse kinderen ontwikkeld. Ook kunnen de vragen uit vragenlijst (2) een leidraad vormen of de taalproductie in de moedertaal aanleiding geeft tot nader onderzoek. In geval van twijfel zou – met hulp van een tolk – een deel van de vragen uit Vragenlijst (2) – met voorbeeldzinnen – voorgelegd kunnen worden aan de ouders van het kind. Vragenlijst (2) heeft betrekking op fouten in de moedertaal van het kind: het Pools.
Bronnenlijst Voor deze pagina is gebruik gemaakt van onderstaande bronnen:
Baker, A. E., Don, J. & Hengeveld, K. (2013). Taal en taalwetenschap. Oxford: Wiley-Blackwell.
Bielec, D.(2004). Intermediate Polish: A Grammar and Workbook. London/New York: Routledge.
Brooks, M.Z. (1976). Polish reference grammar. Berlin: De Grutyer.
Citko, B. (2008). Small clauses reconsidered: Not so small and not all alike. Lingua 118, 261-295.
Dabrowska, E. (2008). The effects of frequency and neighborhood density on adult speakers’ productivity with Polish case inflections: An empirical test of usage-based approaches to morphology. Journal of Memory and Language 58, 931–951.
Hout, A. van (2008). Acquiring perfectivity and telicity in Dutch, Italian and Polish. Lingua118, 1740–1765.
Krajewski, G., A.L. Theakston, E.V.M. Lieven & M. Tomasello (2011). How Polish children switch from one case to anotherwhen using novel nouns: Challenges for models ofinflectional morphology. Language and cognitive processes 26, 830-861.
Łukaszewicz, B. (2006). Extrasyllabicity, transparency and prosodic constituency in the acquisition of Polish. Lingua 116, 1–30.
McDaniel, D. & D. Lach (2003). The production system's formulation of relative clause structures: evidence from Polish. LanguageAcquisition11, 63–97.
McShane, M. (2009). Subject ellipsis in Russian and Polish.Studia Linguistica 63, 98–132.
Orgassa, A. (2009). Specific language impairment in a bilingual context: The acquisition of Dutch by Turkish–Dutch learners. LOT Dissertation 220: Utrecht.
Pawlak, A., J.S. Oehlrich & R.M. Weist (2006). Reference time in child English and Polish. First language 26(3), 281-297.
Rutecka, O. (2004). Prisma miniwoordenboek: Pools-Nederlands, Nederlands-Pools. Utrecht: Het Spectrum.
Sadowska, I. (2012). Polish: A Comprehensive Grammar. London/New York: Routledge.
Wierzbicka, A. (1985). Different cultures, different languages, different speech acts. Polish vs. English. Journalof Pragmatics 9, 145-178.
Naast de informatie uit bovenstaande artikelen is gebruik gemaakt van de reeds bestaande, uitgebreide Wikipedia-pagina over het Pools: http://nl.wikipedia.org/wiki/Pools. (d.d. 12-01-2012). Voor aanvullende algemene informatie over de Poolse taal is gebruik gemaakt van de website van prof.dr hab. Walery Pisarek ‘The Polish Language’, The counsil for the Polish Language: https://www.google.nl/#q=www.rjp.pan.pl
Table of Contents
0. Praktische informatie voor taalonderzoek
Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
In het Nederlands zijn er een aantal klanken die niet voorkomen in het Pools, [a:], [e:], [o:], [y:], [œj], [ø], [ʌ] en [εi]. Daarom kunnen Poolse kinderen problemen hebben met deze klanken bij het leren van het Nederlands. In het Pools zijn alle klinkers kort. Een tweetalig Pools-Nederlands kind kan problemen hebben met het onderscheiden van lange en korte klinkers; zoals in [boom] en [bom]. Het Pools kent geen lidwoorden. Het ligt dus in de lijn der verwachting dat tweetalige Pools-Nederlandse kinderen moeite hebben met het gebruik van lidwoorden. Het Pools is een pro-drop taal, waarin het onderwerp vaak niet expliciet benoemd wordt, het onderwerp wordt uitgedrukt als suffix van de persoonsvorm. Als het kind het onderwerp weglaat in het Nederlands, komt dit waarschijnlijk door negatieve transfer vanuit het Pools, dit hoeft dus nog niet te wijzen op een taalontwikkelingsstoornis. Bij de vorming van de voltooide tijd wordt in het Pools een prefix gebruikt; een hulpwerkwoord (zoals 'zijn' en 'hebben' in het Nederlands) ontbreekt. Het zou dus kunnen dat tweetalige Pools-Nederlandse kinderen het hulpwerkwoord bij voltooid deelwoorden in het Nederlands weglaten als gevolg van transfer uit het Pools.Het Pools heeft een vrijere woordvolgorde dan het Nederlands. Het is mogelijk dat Pools-Nederlandse tweetalige kinderen moeite hebben met de striktere woordvolgorde in het Nederlands. De Poolse cultuur is niet gewend aan een indirecte manier van communiceren indien men iets wil vragen. Polen hebben een korte, zeer directe vorm van communiceren: bijna bevelend. Het zou dus zo kunnen zijn dat tweetalige Pools-Nederlandse kinderen moeite hebben met het begrijpen wanneer iets precies een vraag is en op een meer directere manier zelf vragen stellen.
Het Pools is een taal met een rijkere morfologie dan het Nederlands. Een normaal ontwikkelend kind zal normaliter relatief weinig problemen ondervinden bij de verwerving van het 'eenvoudige' grammaticale systeem van het Nederlands. Uit onderzoek van De Jong et al. (2007) komt namelijk naar voren dat kinderen, waarvan de moedertaal een rijk morfologisch systeem heeft, minder moeite hebben met het leren van een tweede taal met een minder rijke morfologie dan andersom. Voor kinderen met een taalstoornis en een rijke morfologie in de eerste taal, geldt dat zij niet zo snel uitgangen weg zullen laten in de T2, maar wel dat zij substitutiefouten zullen maken in de uitgangen in die T2.
Een aantal elementen uit het Pools zijn vergelijkbaar met die van het Nederlands:
Doorgaans geven overeenkomstige talige elementen tussen moedertaal en tweede taal, bij kinderen met een normale taalontwikkeling, geen problemen bij de verwerving van die tweede taal. Het ligt dus niet in de lijn der verwachting dat normaal ontwikkelende kinderen moeite hebben met deze aspecten van het Nederlands. Mochten zich wel problemen voordoen binnen deze aspecten dan zou dat een aanwijzing kunnen zijn voor een taalontwikkelingsstoornis.
Binnen het Pools zijn er een aantal kenmerken die kunnen wijzen op een taalontwikkelingsstoornis. In het Pools worden werkwoorden vervoegd naar persoon, aantal, tijd, wijs en aspect. Het is van belang om te achterhalen of het kind meer en langdurigere problemen heeft met de werkwoordvervoegingen dan (tweetalige) leeftijdsgenoten. In het Pools wordt elk (voor-)naamwoord vervoegd. Het is van belang om te achterhalen of het kind in de moedertaal meer en langduriger problemen heeft met het vervoegen van naamwoorden en voornaamwoorden dan (tweetalige) leeftijdsgenoten. Als het kind, ook in de eigen moedertaal, pragmatische problemen laat zien die niet passend zijn voor de Poolse wijze van communiceren, dan zijn dergelijke kenmerken mogelijk een indicatie voor een pragmatische stoornis.
Vragenlijst in relatie tot problemen in het Nederlands. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van negatieve transfer vanuit het Pools.
Heeft het kind moeite met de productie van de Nederlandse klanken [a:], [e:], [o:], [y:], [œj], [ø], [ʌ] en/of [εi].?
Laat het kind lidwoorden weg in het Nederlands?
Laat het kind het onderwerp van de zin (vaak) weg in het Nederlands?
Plaatst het kind achter alle/sommige (voor-)naamwoorden een uitgang of een niet nader te specificeren klank?
Laat het kind vaker dan gebruikelijk voor een (tweetalig) kind van die leeftijd hulpwerkwoorden weg in de voltooide tijd? Bijv. ‘Ik (..) gespeeld’ of ‘Jan (..) geweest’.
Heeft het kind moeite met de woordvolgorde in het Nederlands?
Gebruikt het kind in bijzinnen een onjuiste woordvolgorde?
Heeft het kind moeite om op een 'beleefde' indirecte wijze te communiceren?
Formuleert het kind korte 'gebiedende' zinnen als het kind iets wil vragen?
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-kenmerken
Om u behulpzaam te zijn bij het onderscheiden van geproduceerde fouten in het Nederlands naar mogelijke oorzaak, is onderstaande vragenlijst per talig kenmerk (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) opgesteld. Voorzichtigheid bij de analyse van taalproducties aan de hand van deze vragenlijst is geboden; de vragen vormen slechts een leidraad om NT2-fouten globaal van TOS-fouten te onderscheiden. De verkregen informatie dient als eerste indicatie voor de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis.Vragenlijst in relatie tot problemen in het Pools. Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van een TOS.
Heeft het kind in het Pools moeite met het produceren van bepaalde klanken, terwijl dat niet meer verwacht wordt op zijn of haar leeftijd?
Heeft het kind problemen met het vervoegen van (hulp-)werkwoorden in het Pools?
Heeft het kind problemen met het vervoegen van naamwoorden en voornaamwoorden in het Pools?
In het Pools specificeren de (morfologische) uitgangen de betekenis van de elementen in de zin. De woordvolgorde is van minder belang; het Pools heeft een vrijere woordvolgorde dan het Nederlands.. Als een kind meer en langduriger fouten maakt in het Pools met vervoegingen dan (tweetalige) leeftijdsgenoten, geeft dit waarschijnlijk meer informatie dan de gebruikte woordvolgorde.
Maakt het kind weinig oogcontact, is het verminderd wederkerig en heeft het zwakke communicatieve vaardigheden in de moedertaal?
Onderzoek in de moedertaal
Het is mogelijk met behulp van de app Speakaboo onderzoek te doen naar de articulatorische ontwikkeling van kinderen die Pools spreken (2 tot 6 jaar). Zie informatie over dit diagnostisch instrument op de pagina Diagnostische materialen. Voor het gebruik van deze app heeft de logopedist of linguïst geen kennis van het Pools nodig.
1. Algemene informatie over het Pools
Het Pools is een West-Slavische taal – evenals o.a. het Tsjechisch en het Slowaaks – en behoort tot de Indo-Europese taalfamilie. Pools wordt door ongeveer 48 miljoen mensen gesproken. De taal wordt in Polen gesproken (38 miljoen), maar ook door groepen in de Verenigde Staten en landen van de voormalige Sovjet-Unie (10 miljoen). De Poolse taal behoort hiermee tot de 25 grootste talen van de wereld. De dialecten in het Pools verschillen niet veel van het officiële Pools.Het schriftsysteem is zoals wij dit kennen van het Nederlands, waarbij een aantal grafemen meerdere keren voorkomen, waarvan één of meerdere keren met een accent. Dit geldt voor: ą, ć, ę, ł, ń, ó, ś, ź en de ż.
Naar boven
2. Taalspecifieke kenmerken van het Pools
Fonologie
De Poolse hedendaagse standaardtaal kenmerkt zich door het geringe aantal klinkers (a, e, o, u, i, y, ę en ą, die geen verschil in lengte vertonen), en een vrij groot aantal medeklinkers. Er kunnen in het Pools meerdere medeklinkerclusters na elkaar worden uitgesproken. De klemtoon in zelfstandige naamwoorden ligt in het algemeen op de voorlaatste syllabe (Dabrowska, 2006).
Nederlandse klinkers die niet voorkomen in het Pools zijn [a:], [e:], [o:], [y:], [œj], [ø], [ʌ] en [εi]. De ą wordt uitgesproken als nasale [õ], de ę wordt uitgesproken als nasale [ẽ]. Het Pools gebruikt dezelfde medeklinkers in de spraak als het Nederlands, aangevuld met de volgende klanken: ch (uitgesproken als zachte [x]) en g (uitgesproken als Engelse [g]). Een aantal klanken heeft een gepalataliseerde variant (met de tong meer in de richting van de boventanden uitgesproken).
Zelfstandig naamwoorden kunnen niet eindigen op –[u], behalve wanneer dit leenwoorden zijn (‘guru’) (Dabrowska, 2006). Het woordaccent is in het Pools vast: het accent valt meestal op de voorlaatste lettergreep. Hierop zijn slechts enkele regelmatige uitzonderingen.
Mogelijke fouten door NT2-problematiek
De uitspraak van Nederlandse diftongen, zoals de ui [œj], de eu [ø] en de ei/ij [εi] is lastig voor Polen. Omdat de ´lange klinkers´ [a:], [e:], [o:] en [y:] niet voorkomen in het Pools, kan het onderscheiden van deze lange klinkers en hun kortere variant ook lastig zijn. Dit is een hypothese, er zijn geen publicaties over dit onderwerp gevonden.
Morfologie
Naamwoorden
Pools is een taal met een rijke morfologie; zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, telwoorden en voornaamwoorden worden verbogen, en de vorm hangt af van:
1. de naamval
2. getal (enkelvoud of meervoud)
3. grammaticaal geslacht (enkelvoud: mannelijk/vrouwelijk/onzijdig, en meervoud: mannelijke personen en overige).
Er zijn zeven naamvallen, waarvan elke naamval door verschillende suffixen gekenmerkt wordt (zie tabel 1). De suffixen markeren zowel getal als naamval. De keuze voor een suffix hangt af van het geslacht. Als er meer dan één suffix voor een geslacht bestaat, hangt de keuze tussen deze suffixen af van fonologische en/of semantische factoren. Een fonologische factor is bijvoorbeeld de eindklank van de stam van het woord, een semantische factor is bijvoorbeeld wie de ontvanger is.
De morfologische vorm waarin kinderen een zelfstandig naamwoord de eerste keer horen heeft invloed op het kunnen vervoegen naar een andere morfologische vorm. Er lijkt hierbij geen sprake te zijn van een effect van frequentie (Krajewski et al., 2011).
Er is voor het Pools geen default-suffix. Dit betekent dat je, als je het even niet meer weet, niet kunt terugvallen op een vorm die in de meeste gevallen goed is.
Adjectieven en voornaamwoorden
De Poolse taal kent acht soorten adjectieven: attributief (‘witte’, ‘kleine’), bezittelijk (‘mijn’), aanwijzend (‘deze’), distributief (‘elke’), vragend (‘welk’), relatief (‘welke’), onbepaald (‘wat’) en numeriek (‘één). Elk adjectief moet congrueren in naamval, getal en geslacht met het zelfstandig naamwoord, of met het voornaamwoord, waarover het iets zegt. Attributieve adjectieven zijn vergelijkbaar met de bijvoeglijke naamwoorden in het Nederlands; het bijvoeglijk naamwoord kan – in het Nederlands en in het Pools - zowel voor als achter het zelfstandige naamwoord geplaatst worden. De overige adjectieven worden in het Nederlands aangeduid als voornaamwoorden: bezittelijk, aanwijzend, kwantitief, vragend, relatief en onbepaald. Numerieke adjectieven zijn in het Nederlands bekend als telwoorden. De verbuiging van de telwoorden in het Pools wordt bepaald door naamval en getal. De vorm van het telwoord is afhankelijk van hetgeen er geteld wordt. ‘Twee paarden’ is in het Pools bijvoorbeeld dwa konie, maar ‘twee jongens’ is dwaj chłopcydwóch chłopców. ‘Twee meisjes’ daarentegen is dwie dziewczynki, en ‘twee kinderen’ is dwoje dzieci.
Eén betrekkelijk voornaamwoord is ‘który’ (nominatief) en komt in alle naamvallen voor. In het Nederlands wordt onderscheid gemaakt tussen ‘welk(e)’, ‘dat’, ‘wat’, ‘die’, ‘hetwelk’ en ‘hetgeen’. Dit betrekkelijk voornaamwoord wordt in betrekkelijke bijzinnen als eerste woord gebruikt. Voor personen worden de betrekkelijk voornaamwoorden 'czyj' (‘wiens’) en ‘kto’ (‘wie’) gebruikt. Ook deze voornaamwoorden komen in iedere naamval voor.
To jest kamień, który błyszczy.
Dit is steen die-Nom glimt.
To jest jabłko, które chłopiec je.
Dit is appel die-Acc jongen eet.
(Voorbeelden uit McDaniel & Lach, 2009)
Lidwoorden
Er wordt in het Pools geen gebruik gemaakt van lidwoorden.
Werkwoorden
De vervoeging van werkwoorden is afhankelijk van persoon, getal, geslacht, tijd, wijs, vorm en aspect. Met name het juiste gebruik van het werkwoordenaspect wordt voor tweede-taalverwervers van het Pools als een moeilijke taak beschouwd; prefixen en suffixen die aan het werkwoord worden toegevoegd drukken bijvoorbeeld (on)voltooiing van een activiteit uit, maar kunnen ook aangeven of een activiteit herhaaldelijk plaatsvindt, of begonnen is, of een gewoonte uitdrukt.
Van Hout (2008) ontdekte dat Poolse kinderen de perfectieve tegenwoordige tijd (te interpreteren als ‘ik zal een boterham eten’) op 3-jarige leeftijd beheersen. Er zijn vier werkwoordtijden in het Pools: imperfectieve tegenwoordige tijd (een handeling die nu nog voortduurt: ‘ik ben een boterham aan het eten’, ‘ik eet een boterham’), imperfectieve verleden tijd (een voortdurende handeling in het verleden: ‘ik was een boterham aan het eten’), de al genoemde perfectieve tegenwoordige tijd en de perfectieve verleden tijd (een afgeronde handeling in het verleden: ‘ik at een boterham’). Alle werkwoorden zijn ofwel perfectief ofwel imperfectief. Er zijn geen aparte vormen voor voltooide tijd.
Imperfectieve werkwoorden hebben de eenvoudigste morfologie met weinig tot geen prefixen (voorvoegsels). De perfectieve werkwoorden worden gevormd door het gebruik van een prefix. Er is niet, zoals bij de Nederlandse voltooide tijd, maar één prefix (‘ge-‘), maar de werkwoorden kunnen verschillende prefixen hebben, waarmee de handeling nog meer gespecificeerd wordt.
De werkwoorden hebben naast een prefix wanneer het gaat om perfectief in elke tijd suffixen (uitgangen) voor persoon. Naast het onderscheid in personen dat in het Nederlands ook wordt gemaakt (eerste persoon, tweede persoon, etc.), zijn tevens verschillende uitgangen voor mannelijke en vrouwelijke personen aanwezig in de verleden tijd. De werkwoordsuffixen die gebruikt worden bij werkwoorden die als het werkwoord budował// (‘bouwen’) vervoegd worden staan weergegeven in tabel 2. Er zijn in totaal 11 verschillende groepen werkwoorden die hun eigen vervoeging hebben. Daarnaast bestaan in het Pools ook onregelmatige werkwoorden.
Alle werkwoordvervoegingen in het Pools hebben een uitgang. Dit verschilt van het Nederlands, waarin van de stam (ik-vorm) wordt uitgegaan voor de verdere vervoegingen. Er is in het Pools een aparte affix voor respectievelijk aspect (perfectief vs. imperfectief) en tijd. Om zinsdelen niet te laten overlappen wordt onder andere gebruik gemaakt van het woordje ‘jak’, dat staat voor ‘als’. Poolse kinderen leren dit woord al snel te gebruiken in de taal, 4-5 maanden eerder dan Engelse kinderen ‘when’ en ‘after’ leren (Pawlak et al., 2006). Dit kan veroorzaakt worden doordat Engelse kinderen onderscheid moeten kunnen maken tussen de betekenis van ‘when’ en ‘after’, terwijl in het Pools slechts één woord gebruikt wordt.
In het Nederlands gebruiken wij een koppelwerkwoord in een zin als ‘Jan is mijn beste vriend’. In het Pools kan naast het gebruik van een koppelwerkwoord gekozen worden voor een ‘koppelvoornaamwoord’, waarbij het werkwoord al dan niet weggelaten wordt. Bijvoorbeeld: ‘Jan to mój najlepszy przyjaciel’ (Jan koppelvoornaamwoord mijn beste vriend) waarbij ‘to’ het koppelvoornaamwoord is. Dit koppelvoornaamwoord ‘to’ is per tijd en geslacht van het subject gelijk
Mogelijke fouten door NT2-problematiek
Problemen met het vervoegen van werkwoorden zouden kunnen voorkomen: doordat de kinderen gewend zijn alle vervoegde werkwoorden van een suffix te voorzien, kunnen zij eventueel geneigd zijn dit voor het Nederlands ook te doen. Daarentegen is het ook mogelijk dat zij, juist omdat het Nederlands weinig verschillende uitgangen heeft, voor elk vervoegde werkwoord hetzelfde suffix gebruiken. Ook is de verdeling in werkwoordtijden voor het Pools anders dan voor het Nederlands. Hierin kunnen kinderen fouten maken. Het Nederlands heeft veel onregelmatige werkwoorden. Dit is voor alle anderstaligen moeilijker omdat deze allemaal apart moeten worden aangeleerd. Dit zal voor Poolse kinderen niet anders zijn. Dit zijn hypotheses, er zijn geen publicaties over dit onderwerp gevonden.
Syntaxis
Woordvolgorde
Doordat het Pools een rijk morfologisch systeem van verbuigingen en vervoegingen heeft, is de woordvolgorde in de Poolse zin flexibeler dan in het Nederlands. Beperkingen in woordvolgorde worden in het Pools bepaald door stilistische en logische factoren; de woordvolgorde is niet in grammaticaal of semantisch opzicht van belang.
In het Pools hebben korte zinnen de SVO-woordvolgorde: onderwerp-werkwoord-lijdend voorwerp. Bijvoorbeeld: ‘Najlepszym kandydatem myślę że jest Jan’ betekent ‘Beste kandidaat denk (ik) dat is Jan ’. Aan dit voorbeeld is ook te zien dat het voor het Pools mogelijk is te topicaliseren. Ook in bijzinnen wordt in het Pools de SVO-volgorde aangehouden: 'myślę że Jan pije herbatę' wordt letterlijk vertaald als: 'ik denk dat Jan drinkt thee'. In het Nederlands hebben hoofdzinnen doorgaans een SVO-volgorde, terwijl voor bijzinnen meestal de SOV-volgorde wordt gebruikt.
In het Nederlands vindt bij ja/nee-vragen inversie plaats: de persoonsvorm wordt naar de eerste positie in de zin verplaatst, gevolgd door het onderwerp, bijvoorbeeld ‘Kom je morgen?’. In het Pools wordt bij ja/nee-vragen het woord czy voor de zin geplaatst, terwijl de woordvolgorde SVO gehandhaafd blijft (Baker, 2013, p.139). Zowel in het Pools als in het Nederlands vindt bij vraagwoordzinnen inversie plaats (‘Waarom kom je niet?’). Het werkwoord gaat vooraf aan het onderwerp, terwijl de vraagzin begint met het vraagwoord.
Nevenschikkende zinnen
De belangrijkste nevenschikkende voegwoorden in het Pools zijn (Rutecka, 2004):
Een verschil tussen het Pools en Nederlands is dat bij samenstellingen van twee of meer woorden de voegwoorden ‘i’(en) en ‘albo’ (of) worden herhaald, zoals (Brooks, 1976):
Znam i Jurka i jego brata.
Ik ken George en zijn broer.
Byliśmy i w Związku Radzieckim i w Chinach i w Indiach.
We waren in de Sovjet-Unie, in China en in India.
Woordvolgorde
Het voegwoord ‘ale’ (maar, doch, echter) kan niet aan het begin van een nevenschikkende zin worden geplaatst in het Pools.
Voorbeelden van zinnen met nevenschikkende voegwoorden (Swan, 2003):
Marek jest studentem, a Maria już pracuje.
Mark is a student, but Maria is already working.
Warszawa i Kraków są dość duże.
Warsaw and Krakow are rather large.
Jan jest i inteligentny i przystonjny.
Jan is both smart and good-looking.
To jest muzeum, ale nie jest zbyt ciekawe.
That’s a museum, but it’s not too interesting.
To jest albo szpital, albo hotel.
That’s either a hospital or a hotel.
To nie jest ani szpital, ani hotel.
That’s neither a hospital nor a hotel.
Onderschikkende zinnen
De belangrijkste onderschikkende voegwoorden in het Pools zijn (Rutecka, 2004):
Woordvolgorde
Onderschikkende zinnen bestaan uit een complement (Cs) met twee zinnen S1 en S2, dit geeft de volgorde S1CsS2. S1 wordt meestal herkend als de hoofdzin. De meeste Poolse voegwoorden kunnen aan het begin van de zin worden geplaatst als complement om een onderschikkende zin te introduceren. Het partikel ‘to’ markeert het begin van de hoofdzin (S1) bij inversie van de zinsvolgorde. Dit geeft de vorm CsS2S1. Onderstaande voorbeelden geven beide vormen aan (Brooks, 1976):
Ja pójdę jeśli on nie wróci. (S1CsS2)
Jeśli on nie wróci, to ja pójdę. (CsS2S1)
Wanneer er sprake is van een voorwaardelijke wijs wordt achter het voegwoord (bijv. gdy - als, indien) het partikel -by in combinatie met de juiste persoonsuitgang geplaatst, waarna het werkwoord volgt (Rutecka, 2004; Swan, 2003). Bijvoorbeeld (Swan, 2003):
Enkelvoud
Meervoud
Voorbeelden van zinnen met onderschikkende voegwoorden (Swan, 2003):
Pomóglabym ci, gdybym nie byle tak zajęta.
I would help you if I were not so busy.
Proszę cię, żebyście nie robili takiego halasu.
I’m asking that you not make such a racket.
Negatie
Om een zin ontkennend te maken wordt in het Pools het partikel nie gebruikt. Het partikel nie kan op verschillende plaatsen in de zin staan, maar staat meestal voor het woord of het zinsdeel dat ontkend wordt.
Nie chodzę do kina.
Niet ga-NOM-1-SG naar bioscoop.
(Ik ga niet naar de bioscoop.)
Onderwerp
Pools is een prodrop-taal. Dit houdt in dat het onderwerp in de zin kan worden weggelaten. Prodrop (ook wel subject ellipsis genoemd) is mogelijk in het Pools, doordat aan de uitgang van het werkwoord gezien kan worden wie als subject wordt bedoeld. Bijvoorbeeld: ‘?Kimi mys´lisz, z˙e był Jan ti?’ betekent ‘Wie denk (jij) dat Jan is?’. Het subject ‘jij’ wordt dan weggelaten (Citko, 2008; McShane, 2009).
Het onderwerp wordt in het Pools echter niet weggelaten indien er sprake is van ambiguïteit: syntactisch, semantisch of pragmatisch (McShane, 2009).
Mogelijke fouten door NT2-problematiek
In het Nederlands is de woordvolgorde in hoofdzinnen anders dan de woordvolgorde in bijzinnen. In het Pools is dit niet het geval. Dit kan tot fouten in de woordvolgorde in het Nederlands leiden. Het weglaten van een subject is in het Nederlands niet mogelijk in zinnen, behalve wanneer de context dit toelaat en in bijzinnen (Jan loopt naar beneden, pakt zijn tas en gaat naar school). Poolse kinderen kunnen gewend zijn aan het weglaten van een subject in een zin. Poolse kinderen kunnen in het Nederlands makkelijk het (verplichte) onderwerp vergeten.
In het Nederlands worden de meeste zelfstandige naamwoorden voorafgegaan door een lidwoord. Dit is in het Pools niet het geval. Poolse kinderen die Nederlands leren spreken, kunnen het lidwoord makkelijk vergeten. Dit zijn hypotheses, er zijn geen publicaties over dit onderwerp gevonden.
Pragmatiek
Wierzbicka (1985) schrijft over pragmatische verschillen tussen het (Australisch) Engels en het Pools. Bij een officiële internationale vergadering zei een Poolse gastheer tegen zijn gast: ‘Mrs. Vanessa! Please! Sit! Sit!’ Dit zou in het Engels, maar ook in het Nederlands, gezien kunnen worden als een soort bevel aan een hond, maar is in Polen een gangbaar verzoek. Zij kunnen voor een verzoek dus de gebiedende wijs gebruiken. Wierzbicka (1985) geeft aan dat er in het Pools geen gebruik wordt gemaakt van frases als ‘ik denk dat..’, ‘ik vind dat…’ en ‘ik geloof dat’. ‘Ik denk dat het waar is’ wordt bijvoorbeeld ‘To prawda’ (‘Dit is waar’).
Mogelijke fouten door NT2-problematiek
De directheid die Polen kunnen gebruiken bij het doen van een verzoek of het geven van hun mening, kan in westerse landen als ‘onbeleefd’ worden gezien. Dit zijn cultuurgebonden verschillen in het taalgebruik. Om – in het algemeen - te spreken van een pragmatische stoornis, dient er minstens sprake te zijn van verminderde wederkerigheid, minder oogcontact en/of zwakke communicatieve vaardigheden.
Naar boven
3. Verwervingsfases
Łukaszewicz (2006) heeft een casestudy uitgevoerd naar de verwerving van extrasyllabische consonanten (medeklinkers die buiten een lettergreep vallen) bij een Pools meisje in de leeftijd van 3;8 tot 5;1. Een voorbeeld van extrasyllabiciteit in het Nederlands is de eind-n in een meervoudsvorm (/konijnen/) die in de uitspraak vaak wordt weggelaten. Een voorbeeld voor het Pools is ‘wjatr’ (wind), waarbij de [r] in onverzorgde uitspraak niet altijd goed hoorbaar wordt uitgesproken. Het Poolse meisje van de casestudy doorliep vier fasen in het verwerven van de extrasyllabische consonanten:1. Extrasyllabische consonanten worden niet geproduceerd doordat klanken aan de randen van een lettergreep eigenlijk stemloos horen te zijn: [vjat];
2. Problematische klanken worden geproduceerd in combinatie met een toegevoegde klinker: [vjatǝr];
3. Extrasyllabiciteit wordt opgelost door het toevoegen van een woord of klank zonder rekening te houden met regels voor stemhebbend-/stemloosheid.
In dat geval wordt [vjatr] goed uitgesproken. Maar woorden als ‘zjadł’ (hij at) worden met een stemloze /d/ uitgesproken: [zjatł];
4. De aan de extrasyllabische plofklank voorafgaande consonant wordt geuit als stemhebbend: [vjadr].
Naar boven
4. Specifieke taalstoornissen in het Pools
Er is nauwelijks informatie gevonden in het Engels over specifieke taalstoornissen bij Poolse kinderen.Er is wel mail-contact geweest met enkele Poolse wetenschappers. Uit het mail-contact komt naar voren dat onderzoeksverslaglegging voornamelijk in het Pools plaatsvindt.
Zodra er meer informatie beschikbaar is, zal deze pagina verder worden uitgewerkt.
Naar boven
5. Slotopmerkingen
Diagnostisering van een taalontwikkelingsstoornis (TOS) bij meertalige kinderen is complex, en dient met de grootste voorzichtigheid plaats te vinden. Het risico op onder- of overdiagnostisering is aanzienlijk; zie voor meer informatie de pagina Diagnostische materialen en meertaligheid.
Indien bij een tweetalig kind de Nederlandse taalverwerving bijzonder vertraagd verloopt, is het van belang dat er differentiatie plaatsvindt tussen enerzijds het soort fouten dat mogelijk/waarschijnlijk voortvloeit uit de moedertaal en culture achtergrond van het kind (NT2-problematiek), en anderzijds fouten die gerelateerd kunnen zijn aan een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Beide factoren – tweetaligheid en taalontwikkelingsstoornis – kunnen een vertragende invloed op de taalverwerving van het Nederlands hebben, volgens onderzoek van Orgassa e.a. (2008) onder Nederlands -Turkse kinderen.
Omdat er weinig Pools wetenschappelijk onderzoek is naar TOS en meertaligheid, is het van belang om – naast de talige informatie over het Pools en de NT2-problematiek die voortvloeit uit de verschillen tussen het Nederlands en het Pools – ook kritisch te kijken, naar taalproducties in de moedertaal (Pools) van het kind. Voor het Pools is er een Poolse versie van de MAIN (Diagnostische materialen) voorhanden; hiermee wordt de vertelvaardigheid van tweetalige kinderen – aan de hand van plaatjes – getoetst. Het is aan te bevelen om de test zowel in het Nederlands als in het Pools af te nemen. De geproduceerde Poolse zinnetjes – in de moedertaal van het kind – zouden, met de hulp van een tolk, nader geanalyseerd kunnen worden op talige elementen als fonologie – morfologie –syntaxis en op vertelvaardigheid (structuring van een verhaal). Daarnaast is er bij Kentalis een Poolse versie van een articulatiespel (Speakaboo) voor voorschoolse kinderen ontwikkeld. Ook kunnen de vragen uit vragenlijst (2) een leidraad vormen of de taalproductie in de moedertaal aanleiding geeft tot nader onderzoek. In geval van twijfel zou – met hulp van een tolk – een deel van de vragen uit Vragenlijst (2) – met voorbeeldzinnen – voorgelegd kunnen worden aan de ouders van het kind. Vragenlijst (2) heeft betrekking op fouten in de moedertaal van het kind: het Pools.Naar boven
Bronnenlijst
Voor deze pagina is gebruik gemaakt van onderstaande bronnen:
Naast de informatie uit bovenstaande artikelen is gebruik gemaakt van de reeds bestaande, uitgebreide Wikipedia-pagina over het Pools:http://nl.wikipedia.org/wiki/Pools. (d.d. 12-01-2012).
Voor aanvullende algemene informatie over de Poolse taal is gebruik gemaakt van de website van prof.dr hab. Walery Pisarek ‘The Polish Language’, The counsil for the Polish Language: https://www.google.nl/#q=www.rjp.pan.pl